Categoriearchief: Leden en hun auto

Leden en hun auto: Wolseley 16/60

Wolseley 16/60

De Argentijn
Toen ik alweer jaren geleden, het zal in het midden van de jaren negentig van de vorige eeuw zijn geweest, terug kwam van mijn zaterdagse rondje boodschappen doen, stond er op het parkeerdek van Albert Heijn een oudere Marokkaanse man naast mijn Wolseley. Op geheel eigen wijze maakte hij mij duidelijk dat hij wist om welk merk het ging: “Is mooi auto. Veel rijden in Marokko. Is Peugeot. Sterk auto”. En hij lachte er heel vriendelijk bij. Het was niet de eerste keer dat mijn Wols voor een Peugeot werd aangezien en het zou ook niet de laatste keer zijn. Vreemd is dat echter niet, als je weet dat de Italiaan Pinin Farina zijn ontwerp achtereenvolgens aan de British Motor Corporation, Peugeot en Lancia heeft verkocht. Daarover straks meer.

Gestart met schapenscheermachines
De geschiedenis van het gerenommeerde Engelse merk Wolseley gaat terug tot het eind van de 19de eeuw, maar begon opvallend genoeg “down under”. In 1887 richtte Frederick York Wolseley in Australië (!!!) de “Wolseley Sheep Shearing Company Limited” op, waarna hij in 1893 het bedrijf naar Birmingham in Engeland overbracht. Zo’n 2 jaar later werd onder leiding van Wolseley’s bedrijfsleider, de in Engelse autokringen niet geheel onbekende Herbert Austin de eerste Wolseley personenwagen gefabriceerd. In de daarop volgende jaren zou Wolseley tot één van de toonaangevende Britse automobielfabrikanten van de 20ste eeuw uitgroeien. Door de grootschalige wijze van productie bracht Wolseley het zelfs tot de belangrijkste autoproducent van het zogenaamde “Edwardian” tijdperk (het begin van de 20ste eeuw). Ondanks die prachtige historie zou Wolseley de 100 jaar niet volmaken; in 1975 trok het ook al kwakkelende moederconcern British Leyland de stekker eruit. Na 88 jaar kwam er een einde aan alweer een stukje Britse autohistorie.

Overigens is Wolseley in al die jaren wat de type-aanduiding betreft, op een enkele uitzondering na (Wasp, Hornet, Viper), niet verder gekomen dan een enorme reeks cijfercombinaties, zoals 12/48, 14/56, 10/40, 21/60, 11/22, 32/80, 16/35, 6/80, 4/44, 6/110, 15/50 en (het onderwerp van deze reportage) de 16/60. Voorlopig dus nog stof genoeg om over te schrijven en dan is hier nog niet eens de helft van alle modellen genoemd.

Uitgemolken ontwerp
In het midden van de vorige eeuw waren de Italiaanse auto-ontwerpers op het hoogtepunt van hun roem; Bertoni (Citroën Traction Avant, 2CV en DS), Frua (Fiat en Maserati), Ghia (Alfa Romeo, Chrysler, Ford) en vooral Pinin Farina (o.a. Lancia, Ferrari, Alfa Romeo, Peugeot, Ford) konden het werk bijna niet aan. En ja, dan kan het wel eens gebeuren dat je een model gewoon twee of zelfs drie keer verkoopt.

En zo is het ook gegaan met het model van de Wolseley 16/60. Tegen het eind van de jaren vijftig zoekt men bij de British Motor Corporation, waar in die tijd behalve Wolseley ook Austin, Morris, Riley en MG onderdeel van uitmaken, naar een opvolger voor de Wolseley 15/50. En niet alleen voor de 15/50, maar ook voor de Austin 55 Cambridge, de Morris Oxford en de MG Magnette ZB moet er een nieuw model komen, waarmee men in de jaren 60 weer een toonaangevende rol in de internationale automobielwereld kan spelen. Net als zoveel andere autofabrikanten legt ook BMC zijn lot in handen van een Italiaanse ontwerper: Battista ‘Pinin’ Farina. De ‘kleine’ Farina komt met een hoekig, maar sierlijk model, dat behoorlijk afwijkt van de tamelijk ronde 50-er jaren modellen. In 1959 introduceert BMC de ‘Farina’ in maar liefst vijf uitvoeringen: Austin A55 Cambridge, Morris Oxford, Riley 4/68, MG Magnette Mk III en Wolseley 15/60. De Austin en de Morris zijn de meest eenvoudige uitvoeringen, zeg maar de Engelse Opel en Ford, de MG is de sportieve en de Wolseley de chique uitvoering, terwijl Riley als een combinatie van deze laatste twee kan worden gezien. Alle uitvoeringen hebben iets oplopende achterspatborden, waarbij Farina zich mogelijk heeft laten inspireren door de ‘vleugels’ van de grote Amerikanen uit die tijd.

 

Betrouwbare B-motor
De auto’s werden in eerste instantie geleverd met de al enige jaren in productie zijnde 1489 cc B-series benzinemotor. Een betrouwbare motor, die het in de voorgangers goed had gedaan, maar wel aan de lichte kant voor de ruim 1100 kilo zware Farina’s. Dat zag men bij BMC ook in en al 1961 kregen alle uitvoeringen een bescheiden ‘make-over’, waarbij onder andere de oplopende vleugels werden afgevlakt en het B-blok werd opgeboord tot 1622 cc. Het blok kreeg ook verbeterde kleppen, zuigers en krukas en met de enkele SU HS2-carburateur leverde dat maar liefst een maximaal vermogen op van 62 pk. Daar moesten de Austin, Morris en Wolseley het mee doen; de MG en de Riley kregen ook nog eens een dubbele carburateur en haalden daarmee 72 pk uit datzelfde blok. De enkele carburateur bracht de Farina naar een topsnelheid van zo’n 130 kilometer per uur, terwijl de dubbele SU voor nog eens 10 kilometer extra zorgde.

Al deze veranderingen waren voor BMC voldoende reden om de typenamen aan te passen en dat leidde tot de volgende benamingen: Austin A60 Cambridge, Morris Oxford Series VI, Riley 4/72, MG Magnette Mk IV en Wolseley 16/60. Deze typenamen zouden tot het eind van de productieperiode (1971) in gebruik blijven. Van alle typen samen zijn er tussen 1959 en 1971 circa 856 duizend verkocht.

Frans stiefzusje?
Zou het te maken hebben met de onbetrouwbaarheid van de Italiaanse ontwerper Farina? Een ouderwetse maffiastreek? Of was het een gebrek aan zakelijkheid bij de Engelse autobouwer? Dacht BMC misschien een gentlemen’s agreement te hebben afgesloten met Signor Farina? Hoe dan ook, feit is dat Farina hetzelfde ontwerp een jaar later doodleuk verkocht aan Peugeot, die er de 404 van maakte. Van de Peugeot 404, die 15 jaar in productie zou blijven, zijn ruim 2 miljoen exemplaren verkocht.

Overigens hadden ze bij BMC beter moeten weten. In de tweede helft van de jaren 50 heeft Farina heel wat ontwerpen voor Lancia gemaakt, waarvan met name het front toch wel heel veel opvallende overeenkomsten met de BMC-Farina’s vertoont.

Argentijnse Wolseley?
De Wolseley 16/60 op bijgaande foto’s had al heel wat van de wereld gezien toen de auto in 1995 naar Nederland kwam. Officieel heeft de auto op 1 februari 1966 de fabriek in Cowley verlaten om enkele weken later verscheept te worden naar Argentinië, alwaar de Wols als ‘dienstwagen’ door de Britse ambassade in gebruik werd genomen. Vanwege de matige kwaliteit van de benzine in Argentinië was de auto uitgerust met een lage compressie motor en vanwege de slechte wegen zat er ook nog eens een gelaagde voorruit in, wat zeer bijzonder was in die tijd. Ook was er als extra accessoire een kachel gemonteerd alsmede veiligheidsgordels. De vaste berijder van de Wolseley, een zekere Harold Atkin, ging twee jaar later met pensioen terug naar Engeland en nam zijn dienstwagen mee. Vervolgens kwam de Wols in Weston-super-Mare terecht, alwaar er vooral lokaal mee werd gereden. In 1986 overleed Mr. Atkin en de Wolseley werd met slechts 43.000 kilometer op de teller in de garage gezet. Via een tussenhandelaar, die er niet in slaagde om de toen al bijna 30 jaar oude en bovendien links gestuurde auto in Engeland te verkopen kwam de Wolseley uiteindelijk bij een klassiekerbedrijf in Nederland terecht. Daar heeft uw klassiekerredacteur de auto in 1996 in goed rijdbare staat aangeschaft.

Weinig onderhoud
Farina’s blijken in de praktijk hele makkelijke auto’s te zijn en hebben aan normaal onderhoud meer dan genoeg. De B-series motor is werkelijk super betrouwbaar en beslist geen grote olieslurper. Zelfs op 2 of 3 ‘pitten’ blijft de auto zonder al te veel problemen door lopen, zo heb ik al eens mogen ervaren.

Normaal gesproken is dat niet de bedoeling, maar het geeft maar aan hoe sterk en probleemloos de motor is. Natuurlijk moet er op zijn tijd wat olie in het blok en dient er ook wel regulier onderhoud te worden gepleegd; ingewikkelde onderhoudsschema’s zijn beslist niet nodig. Roest is daarentegen, zoals bij de meeste klassieke auto’s, de grootste bedreiging van alle Farina’s. Wordt dat probleem grondig aangepakt, dan staat er nog weinig in de weg om volop van een Wolseley of een Austin of een Morris of … afijn, een Farina dus, te genieten.

Heerlijke reiswagen
Inmiddels heeft de Wolseley ruim 70.000 kilometer op de teller staan, gemiddeld zijn er dus zo’n 2.000 kilometer per jaar bijgekomen. Gemiddeld, want de Wols heeft al met al een jaar of 4 stil gestaan, vanwege een motorrevisie en een volledige restauratie van carrosserie en interieur. Nu is de bodem weer keihard, het plaatwerk superstrak, loopt de motor als het spreekwoordelijke zonnetje en ruikt het leer weer als nieuw. Met de forse kofferruimte, het prettige rijgedrag, een benzineverbruik van 1 op 10 en een kruissnelheid van 110 km/uur is de Wols bovendien een ideale vakantie-auto. De Wolseley 16/60 wordt nu dan ook weer gebruikt, waar hij ooit voor gemaakt werd: het op zeer comfortabele wijze afleggen van wat langere afstanden. En daarmee wordt de oude slogan van het merk volop eer aan gedaan: Drive wisely, drive Wolseley.

Hans Lubberding